Vragen over een ingezonden stuk door het college in de Katwijksche Post.

Vragen over een ingezonden stuk door het college in de Katwijksche Post.

Afgelopen donderdag zag ik in de Katwijksche Post een ingezonden stuk van het college. Daar heb ik toch maar een serie vragen over gesteld. Ben zeer benieuwd naar de beantwoording van het college. Onderaan mijn vragen staat een kopietje van het bewuste stukje.

Betreft: schriftelijke vragen ex artikel 41 RvO  

Geacht college,  

Naar aanleiding van een ingezonden stuk (pagina 5) in de Katwijksche Post, d.d. 3 oktober jl. heb ik de volgende vragen aan uw college:

1. Wat is de reden dat het college de moeite neemt om een individuele burger uit te selecteren, om hem vervolgens publiekelijk in de openbare media aan te vallen en hem te beschuldigen van respectloos en inhoudsloze discussies te voeren? Inhoud met betrekking tot de genoemde Rijnland Route of het beleid inzake Valkenburg is in het door het college ingezonden stuk “Gedeeld belang” (Katwijksche Post 3 oktober 2013) immers niet te vinden. 

2. Waarom is deze ene burger gekozen uit zoveel Katwijkse burgers die vaak publiekelijk het college bekritiseren?

3. Heeft het publiekelijk aanvallen en beschadigen van deze burger te maken met het feit dat deze burger schrijft voor een in Katwijk invloedrijk medium? Zo ja, hoe verdraagt deze actie zich met de persvrijheid? Zo nee, hoe moeten we dan de eerste zin van dit artikel duiden waarin u zich richt op de “vaste columnist van deze krant”.

4. Had u ook een dergelijke ingezonden brief geschreven wanneer deze persoon geen stukjes voor de Katwijksche Post had geschreven?

5. Had u deze brief ook geschreven wanneer deze persoon niet ooit de intentie had uitgesproken een nieuwe politieke partij te willen oprichten?

6. Kunt u zich voorstellen dat u de schijn tegen heeft dat u deze ongewone actie heeft ingezet omdat u hiermee onwelgevallige uitingen en/of acties (zoals het oprichten van een nieuwe politieke partij) de kop heb willen indrukken? Zo nee, hebt u dit mogelijke beeld meegenomen in de afweging bij uw ongewone actie?

7. Kunt u kort schetsen hoe de besluitvorming in het college hierover is gegaan? Zijn er ook ambtelijke adviezen gegeven of was het een autonoom besluit van het college? 

8. Kunt u zich voorstellen dat u als neutraal uitvoeringsorgaan van de gehele Raad op zijn minst de schijn oproept politiek te bedrijven? Zo nee, hoe moeten we de zin: “Profilering via diverse podia past natuurlijk bij het voorbereiden van de oprichting van een eigen politieke partij zoals de heer Haasnoot van plan is” in dit kader duiden? 

9. Moet een uitvoerend overheidscollege zich vanwege de vrijheid van meningsuiting niet beperken tot het corrigeren van inhoudelijke zaken en allerlei soort subjectieve uitingen achterwege laten? 

10. Denkt u dat met deze opmerking de vrijheid van vergadering bevorderd wordt in Katwijk en dat anderen hiermee aangemoedigd wordt een politieke partij op te richten die anders denkt dan dit VVD, CDA en ChristenUnie-college? 

11. Sinds wanneer is er in de politiek objectief vast te stellen wat het algemeen belang is van Katwijk?  

12.  Kunt u zich voorstellen dat wat CDA, VVD en ChristenUnie vinden wat “de belangen van de gemeente en haar inwoners is” anders kan zijn dan andere burgers vinden? Zo ja, waarom rept u dan telkens van “de” belangen van de gemeente” en “de belangen van de Katwijkers, Rijnsburgers en Valkenburgers”? 

13. Waarom kunt u zich niet voorstellen dat wat u het algemeen belang van Katwijk vindt door anderen juist niet zo gezien wordt? Is dit niet het wezen van democratie? Zo ja, tast u niet met dergelijke actie de vitaliteit van ons lokale democratische systeem aan?  

14. Vindt u niet dat u in eerste en laatste instantie verantwoording moet afleggen aan de niet willekeurig gekozen volksvertegenwoordigers in de gemeenteraad en omwille van de persvrijheid, de vrijheid van vergadering en de vrijheid van meningsuiting terughoudend moet zijn in het bekritiseren van willekeurige individuele burgers met een andere mening door het plaatsten van een ingezonden krantenartikel? 

15.  Hoort een overheidscollege zich hierin niet uiterst terughoudend op te stellen vanwege de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid die hier al gauw in het geding kan zijn, immers mensen kunnen bang of ontmoedigd worden kritiek op het college te leveren? 

Met vriendelijke groet,  A.H. van Ginkel-Lanting Fractie Van Ginkel